Play they

Voorbeelden

Examples

Play They are working on a book.
Zij werken aan een boek.
Play They gave us the tickets.
Zij hebben de kaartjes aan ons gegeven.
Play They sit
Zij zitten.
Play They push
Zij duwen.
Play They hurry
Zij schieten op.
Play They aren't fine.
Het gaat niet goed met hen.
Play They speak.
Zij praten.
Play How many are they?
Met z'n hoevelen zijn ze?
Play They can finish.
Ze kunnen eindigen.
Play They seemed to know.
Ze leken het te weten.
Flag fr Frans Flag es Flag en Engels Flag it Italiaans Flag de Duits Flag pt Portugees Flag nl Nederlands