Voorbeelden

Examples

Play He's his brother.
Hij is zijn broer.
Play What is his age?
Hoe oud is hij?
Play I talked with his receptionist.
Ik heb met zijn receptionist gesproken. Ik sprak met zijn receptionist.
Play This is his.
Dit is het zijne.
Play He is more quiet than his friend.
Hij is stiller dan zijn vriend.
Play Those are his keys.
Dat zijn zijn sleutels.
Play He put it in his desk.
Hij legde het in zijn bureau.
Play That he be present is a necessary condition for his appraisal.
Voor zijn beoordeling is hij genoodzaakt aanwezig te zijn. Het is noodzakelijk voor zijn beoordeling dat hij aanwezig is.
Play He dropped his bottle.
Hij heeft zijn flesje laten vallen.
Play I'm responding to his job application.
Ik reageer op zijn sollicitatiebrief.
Frans Engels Italiaans Duits Portugees Nederlands